Je vrouwelijke wezen omarmen
herontmoeting met het kloppende hart van het al
In de stilte van elke ziel sluimert een oerkracht,
een zachte, stralende stroom: vrouwelijke energie.
Maar wat ademt zij werkelijk?
Om haar te begrijpen moeten we eerst
terugkeren naar de wieg van ons zijn:
liefde — de eeuwige bron,
de dansende adem die sterren weeft
en oceanen in slaap wiegt.
Toch lijkt in een wereld van scherpe pijn,
van brekend recht en schreeuwend geweld,
die waarheid soms vervaagd als ochtendmist.
Hoe kan liefde de grond zijn
wanneer chaos troont op de troon?
Het antwoord fluistert door de kloof van twee gezichten:
liefde is dubbel, zoals wij dubbel zijn —
binnenkant en buitenkant,
adem in en adem uit.
De mannelijke vlam is de felle bewaker:
zelfliefde die rug recht,
eigenwaarde als schild en zwaard,
een trotse stilte die zegt:
“Ik bén genoeg.”
De vrouwelijke gloed daarentegen
is de liefde die zich schenkt,
die armen opent naar mens,
boom, dier, hemel en stille diepte.
Zij is de zachte draad
die ons weer rijgt aan het goddelijke weefsel,
herinnering dat geen ziel eenzaam eiland is,
maar lied in een oneindig koor.
Eeuwenlang — en nog altijd —
heeft de wereld ons gedwongen te kiezen.
Jongens moesten staal worden,
meisjes slechts ranke bloesem.
Zo brak het evenwicht,
en brak er iets diepers.
Mannen, afgesneden van de zachte stroom,
verloren de melodie van mededogen,
de fluistering van de wind in de bladeren,
het kompas van het hart.
Alleen nog pantser en zwaard,
zien ze het heelal als vijand,
als iets dat bedwongen moet worden.
Zo werden vrije zielen kneedbaar,
gehoorzame schaduwen
in de molen van macht.
Vrouwen, beroofd van de mannelijke wortel,
vergeten hun eigen gesteente.
Ze schenken tot leegte,
geloven dat hun waarde ligt
in het verdwijnen voor een ander.
Onzekerheid maakt hen stil,
dimt de stralende kracht
van wie verbindt en heelmeester is.
Zonder anker zinken ze
in de golven van goedkeuring.
Deze grote scheur verklaart de wonde van onze tijd:
mannen die veroveren uit angst,
vrouwen die zwijgen uit twijfel,
samen een wereld scheppend
van muur, mes en gemis.
Toch gloort er licht — een weg van thuiskomen.
Voor mannen:
laat de zachte rivier weer binnen.
Luister naar de stille stem onder je ribben,
open je borst voor andermans dageraad,
verwonder je over een grasspriet bij zonsopgang.
Van vechter word je schepper,
van eenling een kunstenaar
die met de kosmos mee ademt.
Voor vrouwen:
vind de berg in jezelf terug.
Bouw liefde op als fundament,
sta rechtop in je eigen licht,
en laat je vrouwelijke magie
stralen met onwrikbare kracht.
Jullie worden de herstellers,
de fluisteraars van heelheid,
degenen die grenzen doen smelten.
Wanneer wij beiden omarmen —
de lans én de omhelzing —
ontwaakt de eenheid.
Stel je voor:
een vallei waar elke boom,
elke rivier, elke wolk
uniek zingt
en toch één adem deelt.
Dat is het wonder van het zijn:
jezelf zijn
binnen het grote geheel.
Door beide krachten te eren
betreden we een nieuw morgenlicht.
We kijken met ogen van verwondering,
herkennen onze danspas
in de kosmische werveling.
Oorlogen vervagen.
Vrede bloeit als korenvelden na regen.
De mensheid herinnert zich weer
hoe ademen in harmonie.
Omarm vandaag je vrouwelijke vuur.
Open je.
Genees.
En word licht
op het pad naar een herenigde wereld.
Het universum ademt met je mee —
wachtend op je ja-woord.
Gerrit Gielen