Het punt achter onze ogen
Gerrit Gielen
We denken vaak dat het universum onvoorstelbaar groot en oud is. Maar dat beeld misleidt. Het universum bevindt zich niet in de ruimte: ruimte is een aspect van het universum zelf. Het is ook niet “oud”, want tijd behoort er evenzeer toe. Tijd en ruimte vormen samen de tijdruimte, en die tijdruimte is geen omhulsel, maar een verschijningsvorm van het universum.
Een vergelijking kan dit verhelderen. In een computergame kan een wereld eindeloos lijken. Landschappen strekken zich uit, gebeurtenissen volgen elkaar op, een geschiedenis ontvouwt zich. Toch zegt die ervaring niets over de fysieke omvang van de computer waarop de game draait. Ruimte en tijd bestaan echt binnen de spelwereld, maar niet daarbuiten, en ze onthullen niets over de computer zelf. Of denk aan een droom. Er gebeuren avonturen, landschappen strekken zich uit, en toch speelt die hele droom zich af in onszelf.
Licht maakt dit inzicht nog scherper. We zeggen dat het licht van een ster vele jaren onderweg is naar onze ogen. Maar voor het licht zelf bestaat geen tijd en geen afstand. Er is geen reis: het moment van ontstaan en het moment van waarneming vallen samen. Voor het licht is het universum geen uitgestrektheid, maar één enkel punt.
Dat punt is nu.
Dat punt is alles.
Tijd en ruimte maken de wereld mogelijk zoals wij die kennen. Ze scheppen verschil, volgorde en afstand. Dankzij tijd kan iets ontstaan en verdwijnen, een geschiedenis hebben en betekenis krijgen; dankzij ruimte kan iets hier zijn of daar. Zonder tijd en ruimte zou echter niets gescheiden zijn. Alles zou samenvallen. Die staat van onverdeeldheid noemen we eenheid.
Waar vinden we die eenheid?
Niet in een computer, want daar zijn slechts enen en nullen, strikt van elkaar gescheiden. Maar in ons waarnemen, in ons bewustzijn, verschijnt eenheid. Wanneer een computer een foto van een bloem toont of een regel poëzie laat oplichten, ervaren wij plotseling iets moois, iets geheels. Die eenheid ligt niet in het apparaat, maar in degene die kijkt.
Eenheid ontstaat in bewustzijn. Daar worden losse elementen tot een geheel. Dat betekent dat bewustzijn niet opgesloten zit in tijd en ruimte, want die delen alles op: verleden en toekomst, hier en daar. Wanneer we naar een mens kijken, zien we niet eerst ogen, haar of kleren. We zien een mens. Misschien een vriend, en dan voelen we blijdschap en verbondenheid.
Dit roept een vraag op: zou het punt dat wij “het universum” noemen niet hetzelfde kunnen zijn als het punt achter onze ogen, het centrum van ons bewustzijn? Als bewustzijn losstaat van tijd en ruimte, dan valt het samen met het universum, want waar tijd en ruimte ontbreken, is geen scheiding. Daar is alles één.
De bron van alles ligt dus niet aan het begin van de tijd of achter de verste ster; het is geen almachtige God en geen oerknal. Ze ligt zo nabij dat we haar gemakkelijk over het hoofd zien: in ons eigen centrum. Daar is het eeuwige nu. Daar is de eenheid zelf, het universum. We hebben die bron nooit verlaten. We zijn nog steeds waar alles begint.
Wij zijn die bron.
Dat ene punt.
Kijk de volgende keer dat je iemand in de ogen kijkt eens anders: achter die pupillen ligt hetzelfde punt. Hetzelfde tijdloze, grenzeloze centrum. Het universum kijkt terug, door jouw ogen, door de zijne, door de hare. Misschien is dat de enige ontmoeting die er werkelijk toe doet: het ene punt dat alles omvat, oog in oog met zichzelf in de ander. Het universum is de ander.
Wat zou er gebeuren als we dat vaker durfden te zien?
Laten we het proberen. Open jezelf en kijk echt. Het begin en het einde, de bron van alles, het ene punt waarin alles samenvalt: het is daar, achter die ogen.
We zijn één.
We zijn het universum, wij samen.
© Gerrit Gielen